Primum no noscere, ofwel ‘vooreerst geen kwaad doen’, het klinkt wat archaïsch, maar het geldt nog steeds als 1 van dé basisuitgangspunten in de geneeskunde.

Wordt anno 2017 ook in de psychiatrie nog ‘leed toegevoegd’? Het Groot Psychiatrierapport van De Morgen –  dat in de laatste week van feb. (2017) de status praesens van de Vlaamse psychiatrie belicht – draait er alvast geen doekjes om.

Vandaag dus hét pijnpunt bij uitstek : ‘isoleren en fixeren’. 105 Vlaamse psychiatrische voorzieningen werden hierbij grondig op de rooster gelegd. “Wablief? Gebeurt dat nog?” Jawel! “En hoe gaat dat dan?” Hard! “En voor wie?” Voor patiënten die ‘onveilig gedrag’ stellen of ‘als onveilig worden gezien / ervaren’. “En is dat gezond?” Neen!! “En hoe ziet zo’n cel eruit?” Zoals een cel, maar dan zonder tralies of vensters en mét centraal een bedplank voorzien van voldoende riemen. “En gefixeerd liggen uren, dagen, soms weken lang, is dat geen vorm van foltering en bijkomend trauma??” Jazeker!! “En hoe doen ze dat bij onze noorderburen?” Hier en daar al veel beter! “En waarom doen we dat hier nog niet anders of beter?” Omdat Belgen – ook al schermen ze met “we zijn goed bezig” vaak – naar Westerse normen – achterlopen, gemiddeld 3-10jaar, op alle vlakken.

Ook als je het mij vraagt, heel terechte en pertinente vragen, waar we nog veel te weinig exacte cijfers over krijgen, veel te weinig gefundeerde verslaggeving over terugvinden, veel te weinig dieptevisie en creatieve humane alternatieven voor ontwikkeld hebben. Maar ondertussen is het wel dagelijkse kost in (spoed) psychiatrische eenheden waar verpleging en artsen vaak letterlijk worstelen met de zichtbare demonen van deze tijd : angst, psychose, agressie, verslaving en zelfverwondend gedrag. Moderne duiveluitdrijving anno 2017 via de cel, de spuit, de fixatieriemen, de almachtspositie. Onmacht in witte jassen. Pijnlijk. En voor iedereen, zonder twijfel oneindig vernederend en traumatisch tot op het bot.

Ik pleit vurig maar doordacht – en dit al jaren – voor een aantal zaken.

Ten eerste een genuanceerde niet – veroordelende kijk als start, een gezamenlijke oefening dus in leren en oefenen met perspectieven wisselen. De ‘6’ als ‘9’ leren zien én omgekeerd. Want je zal maar die ‘gedemoniseerde’ patiënt zijn (zoals Nadia, zie artikel) die eigenlijk compleet (chemisch en / of emotioneel) opgefokt is en tot rust wil gebracht worden; of je zal maar die verpleegster zijn die er quasi alleen voor staat en zich immens bedreigd voelt; of je zal maar dat wanhopig familielid zijn of die medepatiënt die aangevallen wordt… Think about it!

Ten tweede een drastische wijziging van wat ik ‘verantwoorde counter – agressie’ noem naar meer ‘professionele vindingrijkheid’ en een ‘leren van onze noorderburen en andere voorbeelden’, want het gras is soms wel degelijk groener aan de overkant! Niet navelstaren maar ons eigen veld mesten is de boodschap! Hoe je het ook draait of keert afzonderen, fixeren, sederen (ofwel ‘inspuiten’), het is – ook al is de context zgn. ‘deskundig’ … altijd (!) een vorm van agressie, hoe nodig het ook lijkt, hoe onveilig de situatie ook aanvoelt, hoe acuut en druk het op de afdeling ook is. Niemand die daar in sé vrolijk, laat staan beter of gezonder van wordt. Er is m.i. nog steeds veel te weinig psychologisch – psychotraumatologisch inzicht en gedragen beleid qua agressievermijdend (en dus rust- en kalmtebevorderend) denken en werken. Begrijpelijk dus dat het voor veel ‘isolatie – slachtoffers’ als “olie op het vuur gieten en dan het vuur veroordelen, verwerpen en vernederen” wordt ervaren. Hulpverleners hebben wel degelijk invloed en macht, ook zonder de stilaan verouderde wapens van isolatiecellen, injectienaalden en fixatiegordels. In Breda (GGz Breburg) bijv. doen ze het anders. Het aantal isolaties is er sinds 2010 met liefst 90 procent gedaald! Zij hanteren ten allen tijde de ‘1 op 1 benadering’, werken met ‘holding’ technieken en hun afzonderingskamers zijn licht, fris en met vensters. Het voorbije jaar isoleerden zij zo goed als niet meer. In zeker 23 instellingen in Nederland wordt het model nu uitgerold en ook in België worden de eerste stappen gezet. Halleluja!! Hun visie is ‘hoe ziek de cliënt ook is, contact maken kan altijd.’ Een goed lezer heeft het gemerkt : ze spreken over ‘cliënt’ en niet over ‘patiënt’. Het brengt me bij het derde en laatste punt, als pleitbezorger van dienst.

Ik ijver al jaren om patiënten veel meer als cliënten te beschouwen, om niet alleen de patiënt-in-de-mens, maar vooral de mens-in-de-patiënt (terug te leren) zien. Wie alleen naar patiënt kijkt, ziet ziekte, wie alleen maar ziekte ziet vindt altijd redenen om te bestrijden en om dus te ‘bekampen’. Er schuilt wel degelijk, hoe ziek ook, in elke patiënt een menselijke cliënt met een nood en hulpvraag, een verhaal, een toekomst. Dit betekent als dusdanig dat je van je hulpverlenerstroon dient af te komen en dient te groeien in medemenselijkheid, in kwetsbaarheid. Dit is één van dé grootste uitdagingen voor elke zichzelf respecterende zorgverlener. Het begint ‘simpelweg’ al in de zienswijze van die zgn ‘ander-in-nood’. Leren verder kijken dan naar de symptomen, de ziekte, het gedrag alleen, en zich afvragen wie die ‘worstelende mens’ werkelijk is, wat de mogelijke oorsprong van zijn lijden zou kunnen zijn, hoe hard hij zelf al zijn best heeft gedaan om te overleven in het leven. Het helpt echt om elke cliënt (de lastigste nog het meest!) telkens te behandelen alsof het je eigen broer, zus, ouder, kind of vriend is. Emotionele betrokkenheid tonen, het roept echter nog veel te vaak weerstand op. Spijtig. Het maakt het hulpverleningswerk inderdaad veel intenser, het verplicht je om diep te verbinden, je in te leven, de wereld vanuit die mens te zien, het verplicht je om geen agressie toe te voegen aan onstuimigheid of beginnende agressiviteit, neen vooral vragen te blijven stellen naar wat de ander nodig heeft, alternatieven aanreiken, rustbevorderende maatregelen te installeren, de oude wapens neer te leggen, het voorbeeld te geven… Er is nog heel veel werk aan de winkel, maar er is hoop en er zijn ook verstandige buren om ons te helpen.

– Steve Van Herreweghe –

Werken met weinig middelen en weinig personeel, herkenbaar binnen veel sectoren, en niet in het allerminst in de (Geestelijke) gezondheidszorg. Het Groot Psychiatrierapport van De Morgen belicht vandaag dit zware knelpunt. Wat mij betreft een steeds groter wordende schaduwvlek ook op het scherm der psychiatrie, waarachter de (gedeelde) onvrede bij patiënt – familie én hulpverlener, om ernstige en diepe verandering vraagt.

In zes op de tien (!) instellingen (intramurale of residentiële psychiatrie) stelt de Zorginspectie een bemanningsprobleem vast. Deze onderfinanciering staat in schril contrast met de statistische realiteit, want terwijl 1 op 3 Belgen kampt met psychische problemen, gaat amper 6 procent (!) van het totale budget gezondheidszorg naar de volwassen geesteszorg, en slechts 3% naar de zorg voor kinderen en jongeren (!!) … Politieke inconsequentie ten voeten uit, én met verstrekkende gevolgen, what’s new?!
Komt daarbij dat (1) de budgetten niet alleen steeds meer afslanken, (2) ze worden ook nog steeds niet efficiënt genoeg ingezet (80% van het budget gaat naar gehospitaliseerde zorg, ‘bedden’ m.a.w., en deze zijn net het duurst voor de maatschappij, wij dus), bovendien (3) hangt er ook steeds meer verplichte registratie en controle vast aan de toegekende budgetten en fondsen. Dit leidt zowel boven (directie) als beneden (werkvloer) tot soms ongeziene overdruk, meer administratie, minder directe patiënten- maar ook personeelszorg, en dus tot een steeds groter wordende kloof in het psychiatrische zorglandschap, waarin misnoegdheid, verzuring en kwaliteitsverlies als woekerplanten aan terrein winnen. “Vroeger hadden we meer tijd voor de patiënten”, is niet alleen een pijnlijke realiteit voor de patiënt, het is ook een zware dobber voor elke hartstochtelijke hulpverlener die steeds minder en minder met zijn corebusiness kan bezig zijn : de patiënt, de cliënt, de mens.

Ik kan het alleen maar – jammer genoeg, en ook in tijden van accreditering, netwerkconcepten, mobiele teams en andere liaisoninitiatieven – vanuit mijn praktijkervaring beamen. Het gaat vaak (de uitzonderingen bevestigen de regel) ten koste van de individuele aanpak, het individuele begeleidingsproces. Een steeds maar ‘schever wordende situatie’ die meestal ter plaatse – creatief maar ook vaak oubollig en rigide – wordt rechtgetrokken door (1) basiszorg (eten, bed, bezigheid), door (2) focusverschuiving naar groepsactiviteiten (“want dan kan je meer patiënten tegelijk zien binnen een uur”), door (3) de opwaardering van het zgn ‘IB – schap’ (d.w.z. van verpleging therapeuten willen maken, opgeleid of niet). En de psychiaters (die meestal zelfstandigen zijn, en dus liever meer en kort dan minder en lang patiënten zien) – zien gemiddeld 5-10 min / week hun patiënt(en). En wat met de psychologen dan? Budgettair is er vaak maar 1 voltijdse psycholoog voorzien voor 60 bedden (!). Bovendien wordt de terugbetaling voor psychologen – ook al zijn deze sinds 2016 een erkend zorgberoep – zeker nog niet voor morgen voorzien. De ‘goedkopere’ opties zoals psychiatrische thuiszorg en CGGZ zijn alternatieven op papier maar allesbehalve dé oplossing in praktijk. De gemiddelde wachttijden bijv. binnen CGGZ bedragen 9 maanden tot 1,5 jaar. De huisarts dan maar of de ambulante psychiater (want dat wordt wel terugbetaald) : psychofarmaca, aub! 1 op de 10 aan de pillen… De cirkel is rond.

Je zal dus maar (familielid van een) psychiatrische patiënt zijn of worden. Het is nog taboe, maar moet gezegd, weinig veldwerkers die zichzelf of hun familie zouden laten opnemen in de psychiatrie. Ontluisterend. Triest vooral. Zonde van tijd en geld. Met de periodieke Witte – woede – marsen als ultieme noodkreet. Met blijkbaar sterk verhoogd ziekteverzuim, burn-outs bij zorgverleners. Zorg voor de zorgenden? Meestal holle woorden en loze beloften. Zelfzorg dan maar..

Opname wordt hoe langer hoe minder de te bewandelen weg. Alles moet herdacht en heruitgewerkt worden, zowel politiek, onderwijsmatig als in de zorginstellingen. Bovendien is het ook voor ieder van ons persoonlijk hoogtijd om voor een diepe cultuur- en mentaliteitswijziging te zorgen, en dus niet alleen in pillen heil te blijven zoeken, of een opname – ver weg van de realiteit – als dé remedie te zien. Neen, we moeten kritischer worden, meer in twijfel trekken, meer lezen, meer (na)denken over en voor onszelf, meer praten mét ipv tegen elkaar. We moeten terug naar de basis, naar de roots, naar een andere vorm van verbondenheid met ons lijf, de natuur, de gebuur, met elkaar.

Onthoud dat ook jij net als bij iedereen – zowel een been – als de spreekwoordelijke ‘veer’ kan breken.

We moeten terug (en veel meer) familie worden, zeker als het er echt toe doet.

– Steve Van Herreweghe –